fotoalbum

Home » fotoalbum » Overige insecten
aaltje

Aaltje onbekend - Nematoda indet.

Rondwormen (Nematoda) zijn een grote groep van zeer algemeen voorkomende wormen. Er zijn meer dan 25.000 beschreven soorten. Veel nematoden leven in de bodem van dode organische stof. Andere soorten leven als parasiet en veroorzaken plantenziekten zoals aardappelmoeheid of zitten in het darmkanaal van zoogdieren zoals de spoelwormen of de aarswormpjes. Sommige nematoden kunnen heel lang worden, maar de meeste nematoden zijn voor het blote oog onzichtbaar. Aaltjes kunnen aangetast worden door onder andere nematofage schimmels, virussen, sporozoën, amoeben, ciliaten, tardigraden, colembolen, oligochaeten en bacteriën.

blauwvleugelsprinkhaan

Blauwvleugelsprinkhaan - Oedipoda caerulescens

De blauwvleugelsprinkhaan is een insect uit de sprinkhanenfamilie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Oedipodinae. Mannetjes worden 13 tot 23 millimeter, vrouwtjes worden 20 tot 29 mm lang [1]. De kleur is lichtbruin, met onregelmatige donkere of juist lichtere vlekjes. De sprinkhaan dankt zijn naam aan de helderblauwe achtervleugels, die echter in rust niet zijn te zien. Alleen na een sprong worden de felgekleurde vleugels uitgeslagen en de sprinkhaan kan er niet echt mee vliegen, maar wel tientallen meters mee zweven. Mannetjes zingen niet, alleen bij de balts worden geluiden gemaakt. Net zoals veel andere soorten wordt het geluid gemaakt met de achterpoten, stridulatie genoemd, maar bij deze sprinkhaan is het geluid zacht. De soort komt voor in stukken met kaal of schaars begroeid zand. In zijn gehele areaal bestaat de habitat uit schrale, drogere gebieden met een lage begroeiing en veel open plekken, dichte groene vegetatie wordt gemeden. Het voedsel bestaat uit planten, vooral grassoorten.

Bleke kakkerlak

Bleke kakkerlak - Ectobius pallidus

De bleke kakkerlak is een insect uit de orde kakkerlakken en de familie Blattellidae. Onderscheidend goudbruine kleur. Bleek met zwarte ogen. Grootte: 8-9,5 mm. Beide geslachten hebben vleugels en kunnen vliegen. Alleseter. Biotoop : bos, heide en weiden, meestal onder bladresten, soms te vinden op bomen. Levenscyclus van 2 jaar (waarvan 6 stadia als nimf).

bloedzuigers

Bloedzuiger - familie Hirudinea

De bloedzuigers (Hirudinea) zijn wormachtige verwanten van de regenworm. Het grote verschil echter is het feit dat bloedzuigers zuignappen aan beide uiteinden van hun lichaam hebben. Ook bezitten ze vaak tanden. De bloedzuiger ontleent zijn naam aan het feit dat veel soorten bloed zuigen uit dieren en/of mensen. Bloedzuigers worden vooral gevonden in gebieden waar zoet water aanwezig is, al kunnen sommige soorten ook in de zee worden aangetroffen. De meeste bloedzuigers zijn relatief klein, ongeveer 0,5 – 5 cm. Sommige soorten kunnen echter 30 cm lang worden.

boomsprinkhaan

Boomsprinkhaan - Meconema thalassinum

De boomsprinkhaan is een rechtvleugelig insect uit de familie sabelsprinkhanen (Tettigoniidae), onderfamilie Meconematinae. Mannetjes bereiken een lengte van 12 tot 15 millimeter, de vrouwtjes zijn 11 tot 15mm lang. De lichaamskleur is groen, op de kop, het halsschild en de vleugelbasis is een gele streep aanwezig, is geelachtig. Het vrouwtje is te herkennen aan de lange vrij smalle en nauwelijks gebogen legboor. De boomsprinkhaan is een gevleugelde soort. Het is een bewoner van bomen en hogere struiken in verder open terreinen zoals heidevelden met bomengroepjes, stadsparken en tuinen. Boomsoorten als de eik, de hazelaar en de beuk hebben de voorkeur. De boomsprinkhaan leeft voornamelijk van kleine, op planten levende insecten en is een overwegend nuttig dier. De mannetjes laten zich vooral 's avonds horen. Het geluid bestaat uit een snorrend geroffel dat veroorzaakt wordt door met de poten op de ondergrond te trommelen.

sprinkhaan tandradje waarschijnlijk

Bruine sprinkhaan ook tandradje - Chorthippus brunneus

De bruine sprinkhaan is een rechtvleugelig insect uit de familie veldsprinkhanen (Acrididae), onderfamilie Gomphocerinae. De bruine sprinkhaan is langgevleugeld. Mannetjes bereiken een lengte van 12 tot 17 millimeter, de vrouwtjes zijn 18 tot 25 mm lang. De habitat bestaat uit verschillende begroeide omgevingen van wegbermen in de stad tot open plekken in het bos en graslanden, er is niet echt een voorkeur wat waarschijnlijk het grote verspreidingsgebied verklaart. De bruine sprinkhaan is vooral actief tussen negen uur in de ochtend en zeven uur in de avond. De zang bestaat uit losse ratels, ongeveer zes per tien seconden. Het is tot op zo'n tien meter te horen en wordt alleen voortgebracht in de zon.

doornsprinkhaan

Doornsprinkhaan - familie Tetrigidae

Doornsprinkhanen (Tetrigidae) zijn een familie van rechtvleugeligen die behoort tot de onderorde van de sprinkhaanachtige kortsprietigen (Caelifera). Er komen 5 soorten voor in België. De doornsprinkhanen hebben een afwijkende indeling van de vleugels. Bij de meeste rechtvleugeligen beschermt het halsschild de kwetsbare poot- en vleugelaanhechtingen. De verharde, lederachtige voorvleugels beschermen de vliezige achtervleugels, waarmee gevlogen wordt. Bij de doornsprinkhanen echter is het halsschild sterk uitgegroeid tot vaak achter de achterlijfspunt. Het halsschild heeft een doornachtige vorm en heeft de beschermende functie van de voorvleugels volledig overgenomen. De voorvleugels zijn bij volwassen exemplaren sterk gedegenereerd en nauwelijks zichtbaar als een soort flapje onder het halsschild achter de kop. De sprinkhaan op de foto is niet verder te determineren.

grote platrug

Duizendpoot grote platrug - Polydesmus angustus

De grote platrug is een 25 mm lang en 4 mm breed, en heeft een 20 tal segmenten. Komt pas laat in het voorjaar te voorschijn. Leeft in tuinen en bossen, vaak in dood hout, composthopen en bladafval. Voedsel : dode bladeren en ander rottend materiaal, maar ook zacht fruit zoals aardbeien.

duizendpoot onbekend

Duizendpoot onbekend

Niet verder te determineren.

gewone duizendpoot

Gewone duizendpoot - Lithobius forficatus

De gewone duizendpoot is een zeer algemene duizendpotensoort uit de familie der gewone duizendpoten. De soort is een van de grootste van de in westelijk Europa levende duizendpoten, en is vrij eenvoudig te herkennen aan zijn lengte van 20 tot 35 millimeter, roodbruine tot oranje kleur en glanzende segmenten. Net als veel andere duizendpoten worden de jonge dieren geboren met 7 paar poten, veel minder dan de 15 paar die ze uiteindelijk zullen krijgen. Per vervelling komt er steeds één segment met twee poten bij, al zijn er ook vervellingen waarbij geen extra poten en segmenten ontstaan. Een belangrijk kenmerk van alle duizendpoten zijn de twee tangachtige voorpoten. Deze zijn omgevormd tot twee krachtige gifkaken waarmee prooien worden gedood en vervolgens in stukjes worden geknipt met de andere monddelen. De gewone duizendpoot is een snelle jager die onder stenen en tussen bladeren jaagt op slakken, regenwormen en insecten, en mag beschouwd worden als nuttig dier omdat veel van zijn prooien aan planten knagen. Omdat de duizendpoot vanwege de dunne huid gevoelig is voor uitdroging wordt alleen 's avonds en 's nachts gejaagd, en overdag is de soort te vinden onder boomschors, stenen en houtblokken. Alleen bij het omdraaien daarvan is de kans aanwezig er een tegen te komen. De soort komt vooral voor in meer open terreinen, andere duizendpoten leven liefst in bossen. De duizendpoot heeft weliswaar ogen, maar kan hier zeer slecht mee zien en vertrouwt volledig op de lange antennes, die een tastfunctie hebben.

gewoon doorntje

Gewoon doorntje - Tetrix undulata

Het gewoon doorntje is een rechtvleugelig insect uit de familie doornsprinkhanen (Tetrigidae), onderfamilie Tetriginae. Mannetjes bereiken een lengte van 8 tot 9 millimeter, de vrouwtjes zijn 9,5 tot 11 mm lang. Het is een bewoner van vochtige zandgronden, kleigronden worden vermeden. De sprinkhaan kan zwemmen en komt onder andere voor langs oevers. Het voedsel bestaat uit algen. Het gewoon doorntje laat zich vooral zien tussen negen uur in de ochtend tot zeven uur in de avond. Net als alle doorntjes wordt geen geluid gemaakt.

sabelsprinkhaan

Grote groene sabelsprinkhaan - Tettigonia viridissima

Komt vooral voor in open gebieden met struikgewas. Het gezang van het mannetje is meestal te horen van 's middags tot laat in de nacht. Het vrouwtje heeft een lange legbuis om eitjes diep in de grond te stoppen. Sabelsprinkhanen voeden zich met planten; maar vooral met andere insecten die ze vangen. Op een van de foto's zie je een sabelsprinkhaan met een gevangen lieveheersbeestje.

insect onbekend

Insect onbekend

Deze insecten zijn nog niet gedetermineerd. Hulp is welkom.

krasser

Krasser - Chorthippus parallelus

De krasser is een zeer variabel gekleurde sprinkhaan, en komt voor in allerlei weilanden. Het vrouwtje heeft verkorte vleugels. De vleugels van deze soort sprinkhaan zijn te kort om te vliegen ; daarom vliegen ze 'al springend'.

landkokerjuffer

Landkokerjuffer - Enoicyla pusilla

De landkokerjuffer (Enoicyla pusilla) is een schietmot uit de familie Limnephilidae. De enige kokerjuffer waarvan de larven op het land leven. Ze zijn te vinden in bossen, bijvoorbeeld onder dood hout maar soms worden larven ook in nesten van de rode bosmier aangetroffen. De larven hebben als enige soort van deze familie geen kieuwen. De volwassen mannetjes zijn normaal uitziende schietmotten, maar de vrouwtjes zijn ongevleugeld, dit als enige van de in ons land voorkomende soorten. De poten van de volwassen dieren zijn opvallend contrastrijk gekleurd: de dijen zijn donkerbruin met gele top; de schenen zijn deels geel: grotendeels geel bij de middenpoten en alleen aan de basis bij de voor- en achterpoten.

knotskronkel

Miljoenpoot knotskronkel - Cylindroiulus punctatus

De knotskronkel is een langzame soort. Hij heeft, zoals de wetenschappelijke naam aangeeft, inderdaad stippels, maar die zijn nog niet zo gemakkelijk te zien. Bossen en tuinen - meestal gevonden in rottend hout en bladafval. Voedt zich met dode bladeren etc.

miljoenpoot

Miljoenpoot onbekend - familie Diplopoda

Het lichaam van een miljoenpoot bestaat uit een kop die twee korte antennes draagt en een groot aantal segmenten daarachter dat het achterlijf wordt genoemd. Bij verstoring rollen miljoenpoten zich als een spiraal op, sommige soorten zoals de oprollers kunnen zich net als een gordeldier helemaal oprollen in hun pantser. Het aantal pootjes haalt bij lange na geen miljoen, de meeste soorten hebben 80 tot 400 pootjes. Bij de miljoenpoten zijn de segmenten vanaf het vierde segment vanaf de kop paarsgewijs versmolten, waardoor een segment bij alle moderne soorten twee potenparen draagt, alleen de eerste drie segmenten hebben slechts één paar. Naast twee paar poten heeft ieder segment ook twee trachee-openingen, stigmata genaamd. Ondanks het grote aantal pootjes bewegen miljoenpoten zich maar traag. Dit komt doordat ieder segment twee paar pootjes heeft die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen, waardoor de pootjes zich golfsgewijs moeten verplaatsen en relatief vaak stilstaan. Miljoenpoten hebben een zwaar bepantserd lichaam en vluchten snel weg of rollen zich op bij verstoring. Ze kunnen niet bijten of steken. Net als alle geleedpotigen moeten ook miljoenpoten af en toe vervellen, met name de nog onvolwassen nimfen. Na een vervelling kan het uren tot dagen duren eer het nieuwe pantser is uitgehard. Omdat het pantser de belangrijkste verdediging is, zijn miljoenpoten gedurende deze tijd zeer kwetsbaar. Veel soorten maken dan ook een speciale 'vervellingskamer' onder de grond, waarin ze zich terugtrekken tot het pantser is uitgehard. Vijanden van miljoenpoten zijn schimmels, bacteriën en parasitaire wormen die het lichaam kunnen binnendringen.

Mosschorpioen

Mosschorpioen spec. - Neobisium spec.

Grootte 2 - 4 mm. Komt vooral voor op grond in bossen. Ze maken daar jacht op springstaarten, die ze met de schaararmen vastnemen en doden met de gifklieren in de schaarvingers.

oorworm

Oorworm onbekend - familie Dermaptera

Oorwormen of huidvleugeligen (Dermaptera) zijn een orde van gevleugelde insecten. Oorwormen zijn typische kruipende insecten. Hoewel ze in aanleg vier vleugels bezitten, vliegen ze zelden tot nooit. Oorwormen houden zich op in plantendelen zoals bloemen, achter loszittende boomschors en onder bladeren. Ze verkiezen een vochtige omgeving omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging. De meeste soorten zijn alleseters die leven van plantendelen, dood materiaal en kleine diertjes. Op enkele uitzonderingen na hebben alle oorwormen twee karakteristieke tangachtige aanhangsels aan het achterlijf. Ze worden hierdoor wel als 'eng' beschouwd omdat ze met de aanhangsels zouden steken. Een oorworm kan niet steken met de aanhangsels zoals angeldragende insecten dat doen. Een 'kneep' van een oorworm is bij de mens wel voelbaar maar zal geen verwondingen toebrengen. Oorwormen zijn vrijwel allemaal alleseters, die leven van dood of levend plantaardig of dierlijk materiaal. De meeste soorten echter hebben een menu dat bestaat uit dode en levende insecten (ook eieren en larven van insecten), algen, schimmels, mossen en plantendelen als jonge blaadjes, bloemen en vruchten. Veel soorten eten ook wel kleine diertjes die ze tussen de planten of het bodemmateriaal vinden, zoals bladluizen.

pissebed verpoppingshuid

Pissebed onbekend - familie Isopoda

Pissebedden vormen een van de weinige ordes van schaaldieren waarvan er soorten op het land voorkomen. Over het algemeen is het een zeer diverse groep waarvan de meeste soorten in zee leven, maar sommige soorten hebben zich aangepast op het land. Oorspronkelijk komen pissebedden in zoutwater voor, maar ze komen ook in zoetwater voor. Een kleine groep, de landpissebedden (Oniscidea), heeft de zee verlaten, maar hun kieuwen behouden. Tevens hebben ze met behulp van een broedbuidel een manier ontwikkeld waarmee ze voor de eerste levensfasen van de jongen niet meer op poelen of dieper water aangewezen zijn.

DSC_0418 regenworm site.jpg

Regenworm - Lumbricidae

Wormachtig dier, spitse kop, achtereind is dikker en afgeplat, heeft geen oren, ogen, tanden of kaken. Het lichaam is samengesteld uit segmenten met borstels op elk lijfsegment. Rond het lichaam bevindt zich een ringvormige verdikking, het zadel. Het beweegt zich voort door middel van samentrekkende bewegingen. De kleur varieert van bruin naar rood en zelfs geel. Ademhaling vindt plaats via de huid. Leeft in de bovenlaag van de grond, tot soms wel 2,5 m diep en komt veel voor in weilanden en grond met niet te hoge zuurgraad. Er zijn ongeveer 20 Nederlandse en Belgische regenwormsoorten.

Ofwel Zuidelijk spitskopje, ofwel een langvleugelig exemplaar van het gewoon spitskopje, ofwel een langvleugelige variant van het Zuidelijk Spitskopje (conocephalus fuscus)

Spitskopje spec. - Conocephalus spec.

Conocephalus is een geslacht van rechtvleugeligen uit de familie sabelsprinkhanen (Tettigoniidae).

springstaartje Dicyrtomina saundersi

Springstaartje - Dicyrtomina saundersi

Dicyrtomina saundersi is een springstaartensoort uit de familie van de Dicyrtomidae. Springstaarten (Collembola) lijken veel op insecten maar worden als een aparte primitieve groep beschouwd. Deze over het algemeen zeer kleine beestjes, vaak enkele millimeters of zelfs kleiner, komen soms massaal in de tuin voor. Springstaarten leven onder stenen, op en onder schors, in mos en eigenlijk op alle vochtige plaatsen, waar ze van organisch materiaal en schimmels leven.

springstaartje Orchesella cincta

Springstaartje - Orchesella cincta

Orchesella cincta is een springstaartensoort uit de familie van de Entomobryidae. Ze zijn gemiddeld 4 mm lang. Orchesella is binnen de groep springstaartjes een afwijkend geslacht, want de diertjes hebben antennes die uit zes stukjes bestaan. De meeste springstaarten hebben antennes die uit 4 geledingen bestaan.

springstaartje Orchesella flavescens

Springstaartje - Orchesella flavescens

Orchesella flavescens is een springstaartensoort uit de familie van de Entomobryidae. Lengte 2,5-5 mm. Slanke, relatief grote springstaart met lange, wit gebandeerde voelsprieten en fraai bont behaard lichaam. Spingvork goed ontwikkeld. Algemeen, in de humuslagen en onder mossen van vochtige bossen.

springstaartje Tomocerus vulgaris

Springstaartje - Tomocerus vulgaris

Tomocerus vulgaris is een springstaartensoort uit de familie van de Tomoceridae. Deze soort heeft een typisch strepenpatroon, met relatief korte antennen. De soort heeft een egale grijstoon. Ongeveer 4 mm en heel beweeglijk.

sprinkhaan onbekend

Sprinkhaan onbekend

De sprinkhanen op de foto's kunnen niet verder gedetermineerd worden. Hulp is welkom.

Vrouwtjes van Ratelaar, Bruine sprinkhaan en Snortikker zijn niet op naam te brengen

Sprinkhaan onbekend - Bigitullus groep

Deze sprinkhaan is niet verder te determineren.

struiksprinkhaan nimf

Struiksprinkhaan - Leptophyes punctatissima

De struiksprinkhaan is een rechtvleugelig insect uit de familie sabelsprinkhanen (Tettigoniidae), onderfamilie Phaneropterinae. Mannetjes bereiken een lengte van 10 tot 13 millimeter, de vrouwtjes zijn 13 tot 18 mm lang. De habitat bestaat uit verschillende biotopen; van stadsparken, heidevelden, tuinen en wegbermen. De sprinkhaan is te vinden in lagere begroeiing, de nimfen leven dichter bij de bodem op bloemen. De volwassen struiksprinkhaan laat zich vooral horen tussen zeven uur 's avonds en drie uur in de nacht. Het geluid is ultrasoon en bestaat uit zachte tikjes die met het menselijk oor niet te horen zijn.

tuinduizendpoot

Tuinduizendpoot - Geophilus longicornis

De tuinduizendpoot is een zeer algemene soort uit de klasse van de duizendpoten (Chilopoda). Het lichaam is zeer dun en langwerpig van vorm, de kleur is bleekgeel, de voorzijde van de kop en de antennes zijn meer oranje gekleurd, de lengte is ongeveer 20 tot 40 millimeter. De Tuinduizendpoot heeft 'slechts' 49 tot 57 paar poten en heeft een relatief dikker lichaam. De soort jaagt in rottend materiaal op kleine prooien als insecten, spinnen en pissebedden. Omdat de soort zoals alle duizendpoten gevoelig is voor uitdroging, wordt alleen 's nachts gejaagd en houdt de duizendpoot zich overdag schuil onder objecten als stenen en houtblokken of graaft tot 40 centimeter lange holletjes in de bodem. De duizendpoot heeft een voorkeur voor meer humusrijk bodemmateriaal, zodat er beter gegraven kan worden. Als het vrouwtje de eitjes heeft afgezet in een holletje onder de grond, kronkelt ze zich om haar broedsel heen en bewaakt het tot de eitjes uitkomen. Bij verstoring rolt de soort zich op met de buikzijde en de pootjes naar buiten.

veldkrekel

Veldkrekel - Gryllus campestris

De veldkrekel is een forse zwarte krekel die bekend is door zijn luide zang. De veldkrekel is stevig gebouwd en heeft een zwarte of zwartbruine kleur. De voorvleugel kleurt dan weer iets lichter en heeft vooraan meestal een gele vlek, vooral bij mannetjes. De voorvleugel van de veldkrekel is verkort en reikt ongeveer tot aan de achterknie. De achtervleugel is zelfs nog iets korter. De legboor van het vrouwtje (waarmee ze haar eitjes op de juiste plaats kan leggen) is lang en slank met een ietwat verdikte top. De veldkrekel is een alleseter. Op zijn dieet staan vooral stengels, bladeren en grassen, maar ook dode en levende struikheide en schapenzuring. Al lust de veldkrekel zeker ook dode dieren. De krekel leeft in zelfgemaakte holletjes op zonnige, droge, schrale, weinig begroeide plaatsen, zoals droge heideterreinen, stuifzanden en kapvlakten. Info : Natuurpunt.

Veldwespwaaiertje - Xenos vesparum

Veldwespwaaiertje - Xenos vesparum

Franse Veldwesp - Polistes dominula die geparasiteerd is door het Veldwespwaaiertje - Xenos vesparum. Je ziet dit kleine waaiertje zitten tussen twee tergieten van het achterlijf. Mannetjes hebben vleugeltjes in de vorm van een waaiertje. Vrouwtjes zijn vleugelloos. Ze leggen hun larven (triungulinen) op bloemen De triungulinen hebben zes poten, zijn zeer klein (0,085 - 0,35 mm). Vinden ze een gastheer, dan liften ze mee naar diens nest, waar ze vermoedelijk wachten tot de eitjes uitkomen om zich dan in het lichaam van de larve in te vreten. Eenmaal in de larve vervelt de triunguline en ziet er daarna uit als een made die voedsel door de huid via diffusie opneemt van de gastheer. Na de verpopping van de gastheer breekt de parasitaire larve door de huid van de gastheer, meestal tussen twee tergieten van het achterlijf door, en vervelt voor de laatste maal. Het vrouwtje steekt nu met de kop naar buiten, het mannetje vormt een pop die tussen de tergieten naar buiten steekt en twee oogvlekken bezit. Zonlicht laat het mannetje uitkomen en zijn gastheer verlaten om op zoek te gaan naar een vrouwtje (in een andere gastheer verblijvend). De geïnfecteerde gastheer ziet er vaak iets anders uit dan normaal en wordt soms zelf onvruchtbaar.

zeggendoorntje

Zeggendoorntje - Tetrix subulata

Het zeggendoorntje is een rechtvleugelig insect uit de familie doornsprinkhanen (Tetrigidae), onderfamilie Tetriginae. Kortdoornige mannetjes bereiken een lengte van 8,5 tot 10 millimeter, de vrouwtjes zijn 10,5 tot 12 mm lang. Langdoornige mannetjes zijn 10,5 tot 12 mm en vrouwtjes 12 tot 14,5 mm lang. Het zeggendoorntje komt in grote delen van Europa voor en is plaatselijk algemeen. De habitat bestaat uit allerlei wat schralere milieus zoals heide en spoordijken.

zwartkoppissebed

Zwartkoppissebed - Porcellio spinicornis

De zwartkoppissebed (Porcellio spinicornis) is een pissebed uit de familie Porcellionidae. De zwartkoppissebed wordt 9 tot 14 mm lang. warmteminnend. Komt voor op oude muren, daken en zolders. Houdt van vrij droge omstandigheden, dit in tegenstelling tot de meeste andere pissebedden die snel uitdrogen. Is vooral een nachtdier.